Het plantenrijk

Ook het rijk van de planten herken je aan de cellen. Alle deze organismen bezitten cellen waar bladgroenkorrels in zitten. Deze bladgroenkorrels zorgen ervoor dat planten zelf voedsel kunnen maken.

 

Het plantenrijk kun je verder onderverdelen in drie afdelingen: wieren, sporenplanten en zaadplanten. In de tabel hiernaast staat beschreven aan welke kenmerken je deze afdelingen kan herkennen.

Organen

Net als andere meercellige organismen zijn planten opgebouwd uit verschillende organen. In een plant kunnen vier soorten organen voorkomen:

 

  • Wortel: hiermee neemt een plant water en mineralen op uit de grond. Dit zorgt er ook voor dat een plant stevig staat en hier worden reserve stoffen opgeslagen.

  • Stengel: ook dit geeft de plant stevigheid en hierdoor worden stoffen door plant heen vervoerd.

  • Bladeren: hier vindt fotosynthese plaats.

  • Bloemen: hiermee plant een plant zich voort.

De drie afdelingen

Planten verdelen wij verder onder in drie afdelingen:

 

Wieren: zien er vaak niet uit als echte planten. Ze hebben geen stengels, wortels en bladeren. Ze kunnen ééncellig zijn of meercellig.

 

Sporenplanten: zien er uit als gewone planten. Ze maken alleen geen bloemen. Omdat ze geen bloemen maken produceren ze ook geen zaden maar sporen.

 

Zaadplanten: deze maken als enige wel bloemen. Zaadplanten kun je weer onder verdelen in twee klassen: naakt- en bedektzadige planten.

Naaktzadige planten hebben naaldachtige bladeren en produceren kegels. Tussen de schubben liggen de zaadjes.

Bedektzadige planten produceren vruchtjes waar de zaadjes in opgesloten zitten.

Melk wordt vaak gepasteuriseerd om het langer houdbaar te maken.

Melk wordt vaak gepasteuriseerd om het langer houdbaar te maken.

Voortplanting van zaadplanten

Zaadplanten produceren bloemen. Deze bloemen worden door de plant gemaakt om zich voort te planten. Een bloem heeft mannelijk een vrouwelijk deel. Het mannelijke deel produceert stuifmeel. Dit zijn de zaadcellen van de bloem. Het stuifmeel moet uiteindelijk bij het vrouwelijke deel terecht komen. Hier liggen eicellen. Een zaadcel en een eicel kunnen samen smelten. Hieruit ontstaat een zaadje en hieruit kan dan weer een nieuw plantje groeien.

 

Een plant kan twee type bloemen hebben:

 

Insectenbloemen: deze bloemen zijn ontworpen om insecten aan te trekken. Deze insecten zorgen ervoor dat het stuifmeel van de plant wordt verplaatst.

Windbloemen: deze bloemen zijn ontworpen zodat de wind zoveel mogelijk stuifmeel meeneemt.

Insectenbloem

Windbloem

Insectenbloem

Insectenbloemen hebben insecten nodig om hun stuifmeel te verplaatsen. Om hen te lokken hebben deze bloemen grote en fel gekleurde kroonbladeren, ruiken ze lekker en produceren ze nectar. Nectar is voeding voor insecten.

De verschillende onderdelen van de bloem zijn:

1.Stamper: vrouwelijk voortplantingsorgaan

2.Meeldraad: mannelijk voortplantingsorgaan.

3.Kroonblad: grote fel gekleurde bladeren die insecten lokken.

4.Kelkblad: beschermt de bloem als hij nog in de knop zit.

5.Helmknop: hier wordt stuifmeel geproduceerd.

6.Helmdraad: hier de zit de helmknop aan vast.

7.Stempel: hier landt het stuifmeel op.

8.Stijl: hierdoor groeit de stuifmeelkorrel naar beneden.

9.Vruchtbeginsel: dit vormt straks het vruchtje.

10.Eicel: vrouwelijke geslachtscel

11.Zaadbeginsel: vormt straks het zaadje.

Vruchtjes

Wanneer stuifmeel van de ene bloem op de stempel van een andere bloem van hetzelfde soort landt noem je dit bestuiving. Vervolgens zal de stuifmeelkorrel zich via een stuifmeelbuis naar de eicel toe verplaatsen. Als de eicel en stuifmeelkorrel samensmelten noem je dit bevruchting. De bevruchte eicel zal met het zaadbeginsel uitgroeien tot een zaadje. Het vruchtbeginsel zal zich vervolgens tot een vruchtje ontwikkelen. Daarom hebben planten altijd eerst bloemen en daarna pas vruchtjes. Let op een vruchtje is niet hetzelfde als fruit.

Overeenkomstige nummers geven dezelfde onderdelen aan.

Windbloemen

Ook een windbloem is gemaakt om voor voortplanting te zorgen. De verplaatsing van stuifmeel wordt hier alleen niet geregeld door insecten maar door de wind. Deze bloemen hebben vaak kleine, groene kroonbladeren en hebben geen sterke geur. Ook produceren windbloemen geen nectar omdat ze geen insecten hoeven te lokken.

 

De meeldraden en stamper hangen vaak uit de bloem om zo veel mogelijk wind te vangen.

Zaadverplaatsing

De naam wind- of insectenbloem zegt iets over de manier waarop er stuifmeel verplaatst wordt. Wanneer bevruchting heeft plaats gevonden en er vruchtjes zijn gevormd moeten ook de zaadjes vervoerd worden. Ook dit kan op verschillende manieren:

 

Via de wind: vruchtjes zijn zo gemaakt om gemakkelijk met de wind mee vervoerd te worden. Denk de vruchtjes van een paardenbloem.

 

Via ontlasting van dieren: sommige vruchtjes hebben een lekker smaak. Dieren eten ze op en poepen de zaadjes ergens anders uit.

 

Via vacht en veren: sommige vruchtjes blijven gemakkelijk aan vacht of veren plakken. Hierdoor vervoeren dieren ze ongemerkt naar een andere plek.

Deze vruchtjes worden gemakkelijk via de wind verplaatst.

Een appel is een voorbeeld van een vruchtje dat door dieren gegeten wordt. De zaadjes zijn onverteerbaar en worden dan ergens anders uitgepoept.

  • Facebook Social Icon
  • YouTube Social  Icon
  • Instagram Social Icon

© 2018 by Trainjebiologie.