Planten passen zich aan

Planten kunnen niet zomaar in elk gebied leven. Doordat planten aangepast zijn aan hun omgeving hebben ze de meeste kans om te overleven. Hieronder staan enkele mogelijke aanpassingen van planten beschreven:

  • Bladeren: planten in een vochtige omgeving hebben grote en dunne bladeren. Planten in een droge omgeving hebben juist weinig tot geen bladeren en de bladeren zijn vaak dikker. Dit komt omdat planten vocht verliezen via hun bladeren. Hoe groter de bladeren, hoe meer vocht een plant verliest.

  • Huidmondjes: planten halen adem via huidmondjes. Via deze huidmondjes ademen planten ook waterdamp uit. Hoe meer huidmondjes hoe meer water een plant dus kwijt raakt. Daarom hem planten uit droge omgevingen minder huidmondjes dan planten uit vochtige omgevingen.

  • Vleesetende planten: een plant kan zijn eigen voedingsstoffen maken. Om een eiwitten te kunnen maken moet een plant mineralen uit de grond opnemen. In gebieden met weinig mineralen in de grond, komen vleesetende planten voor. Hierdoor halen de planten de benodigde stoffen uit dieren in plaats van de uit de grond.

Plantenweefsels

Dekweefsel

Meercellige planten zijn opgebouwd uit weefsels. Weefsels zijn groepen cellen met dezelfde vorm en functie. Er zijn vier groepen weefsels in planten terug te vinden:

  • Dekweefsel: dit biedt een beschermlaag aan de plant. Dit weefsel voorkomt dat een plant uitdroogt. Een waslaagje aan de buitenkant van een plant kan deze uitdroging nog verder tegen gaan. In het dekweefsel komen ook huidmondjes voor. Dit zijn gaatjes in het blad waardoor een plant kan ademhalen. Gassen kunnen hierdoor in en uit de plant. Ook waterdamp kan hierdoor de plant uit.

  • Vulweefsel: deze cellen hebben dunne celwanden en veel bladgroenkorrels. Hier vindt veel fotosynthese plaats. Tussen de cellen zit veel ruimte. In deze ruimte kan reservevoedsel worden opgeslagen. Dit gebeurt vooral in de stengels en wortels.

  • Steunweefsel: deze cellen hebben vaak dikke celwanden en zijn vaak al dood. Het steunweefsel zorgt ervoor dat de plant stevig blijft.

  • Vaatweefsel: alle stoffen moeten ook door de plant heen vervoerd worden. Een plant heeft daarom vaatbundels. Vaatbundels zijn meerdere buizen bij elkaar waardoor stoffen worden vervoerd. Er zijn twee soorten buizen:

  1. Houtvaten: deze buizen zijn opgebouwd uit dode cellen. Ook zijn de losse cellen vaak niet meer te herkennen. Door deze buizen worden stoffen omhoog vervoerd.

  2. Bastvaten: deze buizen zijn opgebouwd uit levende cellen. Hier zijn wel losse cellen te herkennen. Tussen de cellen zitten gaatjes die lijken op een zeef. Daarom worden de buizen ook wel zeefvaten genoemd. Bastvaten brengen water, afvalstoffen en glucose naar beneden.

Ezelsbruggetje:

Bastvaten brengen stoffen naar beneden.

Houtvaten brengen stoffen omhoog.

Vulweefsel

Steunweefsel

Houtvat

Bastvat

  • Facebook Social Icon
  • YouTube Social  Icon
  • Instagram Social Icon

© 2018 by Trainjebiologie.