Levend, dood en levenloos

Wanneer iets de 7 levenskenmerken vertoont, mag het levend genoemd worden. Wanneer iets ooit de 7 levenskenmerken heeft vertoond maar dat nu niet meer doet, wordt het dood genoemd. Ook als een deel van een organisme afvalt is het dood. Het heeft namelijk ooit geleefd.

 

Iets wat niet leeft, nooit heeft geleefd en nooit zal gaan leven wordt levenloos genoemd.

De levenskenmerken

Je mag iets een levend wezen noemen wanneer het de zeven levenskenmerken vertoont. Deze levenskenmerken staan hiernaast afgebeeld. Alle levende wezens vertonen deze kenmerken. Dit betekent dus niet alleen dieren maar ook planten, schimmels en bacteriën.

 De vier rijken

Je kunt alle levende wezens in vier groepen verdelen. Deze groepen noem je rijken. De vier rijken zijn het dierenrijk, plantenrijk, schimmelrijk en bacterierijk. Je kunt bepalen tot welk rijk een organisme behoort aan de hand van de cel. Een cel is opgebouwd uit organellen. Dit zijn delen van een cel met een eigen vorm en taak.

 

Er zijn verschillende soorten organellen. In de afbeelding hiernaast zijn alle organellen van een nummer voorzien. Hieronder staat uitgelegd wat de taken van deze organellen zijn:

1.Celwand: dit geeft stevigheid en bescherming aan de cel.

2.Celkern: dit is het regelcentrum van de cel. Hier wordt bepaald wat een cel moet doen. In de celkern ligt ook het erfelijk materiaal opgeslagen.

3.Celmembraan: dit zijn de douane van de cel. Hier wordt bepaald wat een cel in en uit mag.

4.Vacuole: dit is een soort waterballon. Deze vult zich met vocht waardoor alles in de cel tegen de celwand aangeduwd wordt. Zo wordt de cel stevig.

5.Bladgroenkorrel: hier vindt fotosynthese plaats.

6.Cytoplasma: dit is een vloeistof waar stoffen in opgelost zitten. Hier vindt ook de verbranding plaats.

In de tabel hiernaast staat beschreven waaraan je de cel van elk rijk kan herkennen.

Biotisch en abiotisch

Een organisme kan niet zomaar overal leven, ze zijn aanpast voor een specifieke omgeving. Er zijn twee soorten omstandigheden die bepalen of een organisme in een gebied kan leven:

 

  • Biotische factor: dit zijn de dode en levende omstandigheden in de omgeving van een organisme. Voor de kikker is dat bijvoorbeeld zijn voedsel.

  • Abiotische factoren: dit zijn de levenloze omstandigheden in de omgeving van een organisme. De kikker heeft bijvoorbeeld zuurstof nodig om te leven. Zuurstof is levenloos en daarom een abiotische factor voor de kikker.

  • Facebook Social Icon
  • YouTube Social  Icon
  • Instagram Social Icon

© 2018 by Trainjebiologie.