Aanpassingen aan de omgeving

Dieren die in warme gebieden leven zien er anders uit dan dieren die in koude gebieden leven. Dieren zijn aangepast aan hun omgeving. Hieronder staan enkele voorbeelden van aanpassingen:

 

Vetlaag: dieren die in koude gebieden leven hebben vaak een dikkere vetlaag. Dit houdt de warmte in het lichaam.

 

Oren: via de oorschelpen kunnen dieren veel warmte verliezen. Dit is handig in warme gebieden. In koude gebieden willen dieren alle warmte bij zich houden. Deze dieren hebben daarom ook vaak kleine oren.

 

Vachtdikte: de vacht is een soort jas. In koude gebieden moet die jas dikker zijn dan in warme gebieden.

 

Vachtkleur: om lang te kunnen leven is het voor veel dieren belangrijk om niet teveel op te vallen. Daarom past de kleur van de vacht vaak bij de kleuren van de omgeving.

Voeding

Niet elk dier eet hetzelfde. Daarom heeft ook niet elk zoogdier hetzelfde gebit nodig om zijn voedsel klein te maken. Er zijn drie soorten gebitten waarmee een zoogdier aangepast kan zijn op zijn voedsel:

Plooikiezen: de kiezen van planteneters. Malen planten fijn.

 

Knipkiezen: kiezen van vleeseters. Knippen vlees in stukjes.

 

Plooikiezen: de kiezen van alleseters. Zitten tussen de kiezen van planten- en vleeseters in.

Wat een organisme eet heeft ook invloed op de vertering ervan. Daarom zijn er ook verschillende lengtes in verteringsstelsels.

 

  • Vleeseter: vlees is makkelijk te verteren. Daarom hebben deze eters een kort verteringsstelsel.

 

  • Planteneters: planten zijn veel moeilijker te verteren dan vlees. Het verteringsproces duurt daarom ook langer. De planteneters hebben de langste verteringsstelsels.

 

  • Alleseters: deze organismen eten planten en vlees. De lengte van hun verteringsstelsel zit daarom tussen die van de planten- en vleeseters in.

Vogels

Ook vogels zijn aangepast op hun leefomgeving en hun voedsel. Hieronder staan mogelijk aanpassingen beschreven.

Voeten:

  • Zwemvoeten: er zitten vliezen tussen de tenen om gemakkelijk vooruit te komen in het water.

  • Zitvoeten: met twee tenen voor en twee tenen achter kunnen zij makkelijk op een tak blijven zitten.

  • Roofvoeten: hiermee kunnen roofvogels hun prooi stevig beet pakken.

Snavels:

  • Roofvogels: aan hun snavel zit een haak waarmee zij vlees van botten kunnen scheuren.

  • Zadeneters: hebben dikke korte snavels waarmee zij zaden op kunnen breken.

  • Insecteneters: hebben lange dunne snavels die ze makkelijk overal tussen kunnen steken op zoek naar insecten.

  • Facebook Social Icon
  • YouTube Social  Icon
  • Instagram Social Icon

© 2018 by Trainjebiologie.